2 tl gist
1 kl suiker
300 ml lauw water
90 gr witbroodmeel
375 gr harde tarwebloem
1 tl zout |
Los de gist en de suiker op in het lauwe water. Laat 10 minuten rusten.
Zeef het meel en de bloem met het zout. Doe de helft in een grote kom. Maak een kuiltje in het midden. Doe er het gistmengsel in en meng alles tot een deeg.
Laat afgedekt met een vochtige doek 30 minuten rijzen op een warme plaats.
Voeg de rest van de bloem en het meel toe en kneed tot een soepel deeg. Laat 1 uur afgedekt rijzen.
Verdeel het deeg in twee langwerpige stokbroden. Dek opnieuw af met de vochtige doek en laat nog 40 minuten rijzen op een warme plaats tot ze verdubbeld zijn in volume.
Verwarm de oven ondertussen voor op 220 graden. Plaats een kommetje met water in de oven. Spuit de broden in met water (gaat gemakkelijk met een plantenspuit) en bak ze 20 minuten in de voorverwarmde oven.
Verlaag de oventemperatuur tot 180 graden en bak nog 5 à 10 minuten verder tot ze goudbruin zijn. De broden moeten hol klinken als je ertegen tikt. Laat ze afkoelen op een rooster. |